Een bijzonder warm welkom

Een bijzonder warm welkom

Blog 42
Maandag 9 mei
Thuis in Gendringen

En dan zijn de zes en halve maand alweer voorbij. Na 191 dagen komt 24 maart 2015 onze wereldreis tot een einde. In het afgelopen half jaar bezochten we negen landen (Indonesië, Nieuw-Zeeland, Australië, Thailand, Vietnam, Cambodja, Singapore, Kuala Lumpur/Maleisië en Dubai/de Verenigde Arabische Emiraten). We zaten twaalf keer in een vliegtuig. We huurden een camper in Nieuw-Zeeland en een auto in Australië. We zaten ontelbaar veel uren in treinen en bussen. We maakten (gevoels)temperaturen mee tussen de 45 en -10 graden. Maar vooral: we deden onbetaalbare herinneringen op.

Shopwalhalla
Voordat het verhaal tot zijn einde komt, zijn er nog een paar dagen van onze reis die ik nog niet heb beschreven. Te beginnen met Kuala Lumpur, een prachtige stad, maar we zijn vrij uitgeput na West-Australië en Singapore. Dus besteden we onze dagen hier niet met toeristische bezichtigingen, maar gaan op souvenirjacht. De hoofdstad van Maleisië is daarvoor een goede plek, want het is een heus shopwalhalla met vele winkelcentra en goede prijzen.

Misschien is dat de reden dat de portier van ons hotel ons zwaaiend met zijn vinger waarschuwt op zakkenrollers te letten. ‘Loop nóóit met je mobiel in de hand, die grissen ze er zo uit. Laat je camera het liefst ook niet zien. En pas ook op met onderhandelingen. Als je een prijs noemt, moet je het ook daarvoor kopen!’ Waarna hij doodleuk vertelt dat er soms toeristen in elkaar geslagen worden als de verkoper zich niet serieus genomen voelt. We houden de wijze lessen in ons achterhoofd.

Als we de volgende dag wakker worden, merken we meteen dat we weer in Azië zijn. Onze rug kreunt door de nacht op de keiharde bedden. We slapen nog wel in een viersterrenhotel, maar uiteraard voor een spotprijs per overnachting (28 euro). Helemaal na Australië. Ook vinden we al gauw het goedkope Aziatische eten weer. In de buurt van ons hotel zit een heerlijk restaurantje waar we ons helemaal rond eten aan curry’s, wokgerechten en naanbrood, voor drie euro per persoon. Kon dat maar in Nederland voor zo’n bedrag, dan zouden we nooit meer koken.

Dan is het alweer tijd voor onze vlucht naar Dubai, natuurlijk met wat extra kilo’s aan souvenirs in onze tassen. Eindelijk vliegen we weer met Emirates. Daar keken we wel naar uit na vluchten met budgetmaatschappijen als Jetstar, Scoot en AirAsia (lees: helse overstaptijden en met de knieën tegen de stoel voor je). Heerlijk een paar uurtjes verwend worden met drankjes, snacks en eten. En niet te vergeten de uren entertainment via de schermpjes. Konden we maar altijd zo vliegen!

Witte gewaden, zwarte boerka’s
Dubai is een waardige laatste stop van onze reis. We konden deze wereldstad echt niet overslaan. We staan op tijd op, want hebben maar één dag. Aan alles kun je zien hoe nieuw deze stad is. In mijn geboortejaar kon je Dubai nog bijna een gehucht midden in de woestijn noemen. Nu, 25 jaar later, blinkt en schittert de stad met hoge gebouwen en strakke designs. Het is duidelijk dat de olie hier uit de grond spuit. We kijken onze ogen uit als we in de flitsende metro zitten. Onze eerste halte is de Dubai Mall. Ook hierbinnen glimt het goud en fonkelen de diamanten. Niet alleen de winkels zijn hier een bezichtiging, ook het publiek. We zien mannen in witte gewaden met geblokte sjaals om hun hoofd (zoals ik me oliesjeiks voorstelde) en vrouwen in zwarte burka’s met alleen hun ogen onbedekt. Daartussen lopen geblondeerde Russische vrouwen met opgespoten gezichten en borsten die op springen staan. We gaan op een bankje zitten en aanschouwen het winkelpubliek vol verwondering.

De Dubai Mall is het grootste winkelcentrum van de wereld, met twaalfhonderd winkels verdeeld over vier verdiepingen. Ook is hier ‘s werelds grootste schoenenwinkel en zijn er naast winkels ook een schaatsbaan, een indoor pretpark, een kolossaal 155 miljoen jaar oud dinosaurusskelet, een enorme bioscoop met 22 zalen, een foodcourt, een spectaculaire fontein en het grootste aquarium ter wereld. Ja, dit bevindt zich allemaal in één winkelcentrum.

Als we het binnen gezien hebben, lopen we naar buiten. Dan staan we meteen pal naast de Burj Khalifa: het hoogste gebouw ter wereld (829 meter). De wolkenkrabber is zo hoog dat we acrobatische kapriolen moeten uithalen om op de foto te passen met het gehele gevaarte. Om ons heen doen andere toeristen hetzelfde. Een nog bijna mooier gezicht dan het gebouw zelf zijn de vijftien glazenwassers die aan touwen halverwege de toren bungelen. Hoeveel toeslag zouden zij krijgen voor het risico van hun beroep? Brrr.

Pinguïns in de woestijn
Het toppunt van decadentie en idiotie is toch wel de skihal in de Mall of Emirates, het winkelcentrum dat we aan het einde van de dag bezoeken. Een skihal? In een stad midden in de woestijn waar het bijna altijd warmer is dan veertig graden? Ja hoor, we treffen hier een hal, zo blijkt, met sneeuw, ijsbanen en échte pinguïns. Veel gekker wordt het niet. Toch is er blijkbaar animo voor, gezien de grote hoeveelheid mensen met mutsen, handschoenen en dikke jassen die we achter de ramen zien. Wij blijven lekker aan deze kant van het glas en eten de laatste avond van de reis traditioneel het naar onze mening beste reisvoer: een goede hamburger.

Dan is het eindelijk 24 maart. Een dag waar ik toch wel stiekem naar heb uitgekeken. Vandaag vliegen we naar huis. Ik vond het reizen geweldig, maar naar mate de maanden verstreken, begon ik mijn vrienden en familie toch wel te missen. Zelfs het druilerige Nederland klonk mij soms als muziek in de oren. Alles is hier goed geregeld, lekker eten, lieve mensen, geen chaos, niet al te veel vervuiling en ook belangrijk: geen enge dieren. Ik hoef hier vast niet te specificeren welke dieren ik met name niét ga missen. Ook hadden we wel weer behoefte aan een vaste plek en elke avond hetzelfde fijne bed. In de vroegte van de morgen stappen we dus in het laatste vliegtuig. Eindbestemming: thuis!

Roze wolk
Het moment op Schiphol zal ik nooit meer vergeten. Hoe ik om het hoekje kijk en daar mijn familie zie staan met een spandoek. Ik vlieg ze in de armen. Eindelijk kunnen we elkaar weer knuffelen – dat kan niet via Skype. Hoe vaak heb ik dit moment de laatste tijd niet in mijn hoofd afgespeeld? En nu gebeurt het echt! Ik ben weer herenigd met mijn familie. Op een roze wolk zweef ik met ze mee naar de La Place voor een kleine break voordat we naar de Achterhoek rijden. Daar word ik herenigd met een andere vriend die ik lang heb moeten missen: Nederlandse kaas.

Ik pak het broodje met de dikke gele plakken en kan me niet inhouden. Ik houd het onder m’n neus en snuif de geur diep in. Aaaah, heerlijk. Als ik m’n ogen weer open zie ik de man die de broodjes smeert me raar aankijken. ‘Sorry, meneer, ik ben zeven maanden weggeweest en heb dit zó gemist!’ Lachend kijkt hij me aan. Hij zal wel denken, die is goed gek! Dan draait hij zich om en geeft me een bordje met drie plakjes kaas. ‘Kun je er vast van genieten voor je afrekent.’ Ik voel me weer even een kind dat een plakje worst krijgt bij de slager. Een warmer welkom in Nederland had ik me niet kunnen wensen.

Met deze laatste blog neem ik ook afscheid van jullie: trouwe lezers die elk woord tot zich hebben genomen of degenen die af en toe eens iets lazen. Ontzettend leuk dat jullie ons hebben gevolgd! En bedankt voor alle leuke reacties en verhalen die jullie ons toestuurden. Ik heb ervan genoten deze reis via deze blog met jullie te delen en te beleven.

Wie weet tot snel! Want als de reislust eenmaal aangewakkerd is…

Een dikke knuffel,
Carlijn

De vreemde eend van Zuidoost-Azië

De vreemde eend van Zuidoost-Azië

Blog 41
Zondag 24 april
Thuis in Gendringen

Een hug mug met Italian thick white hot chocolate voor mij, een warme chocolade van melkchocolade met knisperbolletjes voor Luuk en een chocolate lick (een bakje gesmolten chocolade) voor ons samen. We zijn weer bij chocoladebar Max Brenner, want morgen vertrekken we uit Australië. Nog één keer genieten we van de heerlijkheden van dit leuke tentje, dat niet in Nederland, laat staat Europa te vinden is.

Onze tijd in West-Australië is alweer voorbij. Het ging super snel, maar we zijn tevreden. We hebben alles gedaan en gezien wat we wilden. Deze laatste dag wassen we al onze kleren in de AirBnB waar we overnachten. Dan gaan we met een tas vol frisse kleren weer naar Azië. En dan is het echt tijd onze auto in te leveren. Zonder een krasje of deukje brengen we de Nissan terug naar Hertz. We zijn blij dat dit bakkie ons weer heel en zonder problemen hier heeft gebracht. 6285 kilometer hebben we ermee gereden, in 22 dagen.

Met een beetje pijn in ons hart vliegen we een paar uur later weg uit dit prachtige land. We kunnen niet zo goed kiezen of Nieuw-Zeeland of Australië voor ons op nummer 1 staat. Het wordt denk ik een gedeelde plek. Nu is het weer tijd voor Zuidoost-Azië, maar wel heel anders dan Thailand, Cambodja en Vietnam: we gaan naar Singapore. Vlak na middernacht landt ons vliegtuig van Scoot (het budgetzusje van Singapore Airlines) netjes aan de grond. We besluiten op het vliegveld te overnachten, want het eerste en voornamelijkste verschil met de rest van dit continent is dat Singapore mega duur is.

Beste vliegveld
Singapore schijnt uitverkozen te zijn tot het beste vliegveld ter wereld om te overnachten. Maar dit geldt wel voor de transit area en wij zullen toch echt door de douane heen moeten om onze tassen op te halen. In de aankomsthal treffen we helaas geen ligstoelen, massagestoelen, een bioscoop, zes tuinen, een entertainmentarea en een zwembad. We vinden wél een plekje met een aantal stoelen naast elkaar, die met een beetje fantasie kunnen doorgaan voor een bed. Eerst mag ik twee uur slapen, dan Luuk. We doen een verwoede poging met onze sarong als deken, tas als hoofdkussen en een slaapmasker en oordopjes tegen het felle licht en de vele geluiden. Maar echt veel slapen doen we niet.

We zijn blij als het ochtend is en we op weg kunnen naar de AirBnB, waar we tijdens ons verblijf hier slapen. Meteen stuiten we op het tweede verschil met de rest van Zuidoost-Azië: het openbaar vervoer is pico bello geregeld, en schoon! Al snel zien we waarom. Eten of drinken in de metro kost je vijfhonderd dollar boete en roken duizend. De waarschuwingsbordjes hangen overal. Maar dit strenge beleid geldt niet alleen in het openbaar vervoer. Ook voor vervuilen op straat staan torenhoge boetes en werkstraffen, die ook gegeven kunnen worden door agenten in burger. Oppassen geblazen dus. Dit beleid werpt zeker zijn vruchten af, want de straten zijn ongelofelijk schoon.

Ze zijn hier dus streng. Op het vliegveld keken we al op van de groepjes militairen met stalen gezichten die rond paradeerden met hun automatische wapens. Niet dat we ergens chaos zagen waarin zij orde zouden kunnen scheppen, maar misschien is dat wel juist omdát ze er rondlopen. Ook kregen we in het vliegtuig een flyer waarin ons werd gemeld dat op het smokkelen van drugs de doodstraf staat. Gezellig! Maar door alle regels en handhaving is Singapore wel een van de veiligste en schoonste steden ter wereld. Zelfs het kraanwater is hier drinkbaar! Nou, dat is het in de omringende landen écht niet.

Pracht en praal
Eén ding is hier niet anders dan in andere Aziatische landen: de enorme luchtvochtigheid. Die is hier zo hoog dat het de helft van de dagen per jaar onweert. Ik hou wel van een fikse onweersbui, maar natuurlijk onweert het weer nét niet in de drie dagen die wij hier zijn. Daar is Luuk dan wel weer blij om. Als we bij de AirBnB aankomen zijn we van top tot teen bezweet. We worden ontvangen door een vriendelijke Franse jongen, die hier woont met zijn Vietnamese vriendin. Het mooiste aan het hip ingerichte appartement op de dertiende verdieping is het uitzicht. We zien een brede rivier en daarachter Singapore in al zijn pracht en praal. We kunnen niet wachten de stad te gaan bekijken, maar eerst een paar uur bijslapen.

’s Middags trekken we de stad in. Ik had niet verwacht dat Singapore zoveel indruk op me zou maken. Ik ben eigenlijk meer van de natuur dan de steden. Maar dit is echt een wereldstad met dezelfde allure als bijvoorbeeld Sydney. Er is net zo’n in het oog springend gebouw als het Opera House, maar dan in de vorm van een ontluikende bloem. Er is een enorm schip gebouwd op drie torenhoge flats. En aan een enorm meer in het centrum van de stad, staat de Merlion: een standbeeld van een zeemeermin (mermaid) en een leeuw (lion). Op zichzelf is het niet heel indrukwekkend, maar wel hét herkenbare symbool van de stad. Uiteraard maken we net zoals duizend andere toeristen hier een foto. Maar we gaan niet zo ver dat we op de foto net doen alsof de waterstraal die het standbeeld uitspuwt precies in onze mond terechtkomt – je weet wel, Toren van Pisa-taferelen. De andere toeristen doen dit uiteraard wel. Dat levert wel weer grappige beelden voor ons op.

Onze voeten en benen zijn eigenlijk al uitgeput, maar nu we toch hier zijn, willen we ook nog naar de Gardens by the Bay. Dit is een enorme tuin met torenhoge bomen van staal, begroeid met klimop en volgehangen met lichtjes. En zo ben je opeens midden in een immens park en lijkt de stad mijlen ver weg. ’s Avonds is het hier nog spectaculairder, als er een lichtshow wordt gegeven met alle lichtjes in de bomen. Wij zitten dan net te genieten van een andere lichtshow, op het Art Science Museum (het gebouw in de vorm van de bloem). We zitten daar een lekker broodje falafel te eten als er opeens Eftelingachtige muziek klinkt en er prachtige beelden op het gebouw worden geprojecteerd. Een zeer aangename verrassing. Hierna lopen we op ons laatste restje energie weer terug naar het appartement: over de verlichte brug, langs het reuzenrad met honderden lichtjes en even later langs de grote rivier die door de stad stroomt en waarachter we de skyline kunnen zien.

Little India
We hebben in één dag al een goede indruk gekregen van deze prachtige stad, maar er is nog meer te zien dan het centrum. Op dag twee gaan we naar Little India: een buurt met – je raadt het al – veel Indiase inwoners, winkeltjes en restaurants. Onderweg komen we langs de Arabische buurt, die is hier ook, net als China Town dat in een wereldstad niet mag ontbreken. Het is leuk te zien hoe hier in Little India een hele andere sfeer hangt. Er zijn kleurrijke huizen en om elke hoek ruiken we weer een kruidige curry of versgebakken naan. Daar bestaat uiteraard ook ons avondeten uit. Want nog even en dan eten we weer gekookte aardappelen.

Zo vliegen de dagen voorbij en voor we het weten zitten we alweer in de bus naar Kuala Lumpur. Dit is de volgende wereldstad van de reeks van drie, die we bezoeken zo aan het einde van onze reis. We hadden zo maar een van de busorganisaties uitgekozen, want volgens de jongen van onze AirBnB zijn ze allemaal goed. Dat hadden we in de andere Aziatische landen echt niet gedurfd. Maar de jongen blijkt gelijk te hebben: we reizen als een koning naar Maleisië, in brede stoelen en een koele bus. Zo is een busreis opeens een stuk minder vervelend!

Hierna komt er nog één blog en dan is de serie af. Dan komt er een olifant met een hele grote snuit en die blaast het verhaaltje uit!

Groetjes,
L&C

Teruggeven aan het universum

Teruggeven aan het universum

Blog 40
Maandag 18 april
Thuis in Gendringen

We rijden weer op een lange uitgestrekte weg. We kunnen regenbuien zien op kilometers afstand. Er is geen teken van leven te bekennen in de verste verte. Behalve dan wilde koeien, die staan hier gewoon naast – en zoals nu, opeens – midden op de weg. Borden hadden ons al gewaarschuwd voor ‘wilde dieren, de aankomende 460 kilometer’, maar dat ze zo dichtbij zouden komen, hadden we ook niet verwacht. Het levert wel weer een mooi plaatje op. De andere dieren die op de borden staan, laten zich voorlopig nog niet zien. De hitte houdt ze in de verkoelende schaduw van de weinige bosjes die hier zijn.

We zijn op weg naar Kalbarri National Park. Hier wacht ons een inspannende wandeltocht. We gaan de afdaling maken door de Z-Bend, een enorme kloof, miljoenen jaren geleden uitgesleten door water. De omstandigheden zijn niet mals: vliegen, hitte, steile afdalingen. Er wordt overal gewaarschuwd voldoende water mee te nemen. Een aantal jaar geleden overleed er hier nog een Engelse vrouw aan een heat stroke. Het kost dus even moeite, maar even later staan we bezweet onderaan een enorme klif van rood steen. We zijn beide even stil. Zo mooi is het. Wat voel je je dan klein, naast al dat natuurgeweld.

Even hiervoor hadden we het uitzicht al bekeken vanuit een uitkijkpunt hoog bovenaan de klif. Dat was al prachtig, maar als je tussen de enorme wanden staat, is het eigenlijk nog spectaculairder. We nemen alles zo goed mogelijk in ons op en moeten dan weer verder. Er staat nog meer op het programma. Bovendien is het windstil in de gorge, dus nog heter dan normaal. Als we de klim naar boven voltooid hebben, hijg ik en klopt mijn hart als een malle. En ik denk dat mijn hoofd bijna even rood is als het steen hier.

Nature’s Window
Even later zitten we weer in de auto. We crossen door het losse zand – de weg is net op het randje geschikt voor een niet-fourwheeldrive. Op naar het volgende uitkijkpunt. Een van de andere hoogtepunten van dit park is Nature’s Window, daar gaan we nu heen. Het is een steen, opgebouwd uit meerdere lagen, met een gat in midden. Als je erdoorheen kijkt, is het net een raam naar de natuur. Dat vraagt natuurlijk om een kleine fotosessie. En de vliegen gaan vrolijk met ons op de foto. Helaas dus geen kiekjes zonder net op ons hoofd. Maar dat doet geen afbreuk aan het bijzondere natuurverschijnsel.

Als we aan het einde van de dag uitgeput en bezweet terugkomen in ons hotel, vinden we dat we onszelf wel mogen belonen. Dus we kopen een pot mayo bij de supermarkt en heerlijke fish and chips bij het tentje ernaast. Ik kan je zeggen: dát smaakt lekker na zo’n heftige dag.

De volgende ochtend is het alweer tijd om het pittoreske plaatsje Kalbarri, naast het nationale park, te verlaten. Maar niet voordat we de pelikanen hebben gezien, die ze hier elke ochtend voederen en waarover wordt gerept in alle toeristenfoldertjes. Gisteren hadden we al voor niets gewacht en kwamen ze niet opdagen. Maar ook vandaag hebben ze er helaas geen zin in. ‘Het zijn ook eigenwijze beesten,’ zegt de vrijwilligster een beetje beteuterd. De emmer vis bungelt doelloos in haar hand. Dan niet, zal ze wel denken. Morgen weer een kans. Maar dan zijn wij hier alweer weg.

Lifter
We rijden steeds zuidelijker en we merken dat de natuur die aan ons voorbij schiet steeds meer verandert. De lege vlaktes met alleen wat bosjes, worden velden met hier en daar bomen, tot we weer door bebost gebied rijden. We zijn al een tijdje onderweg als we een lifter zien staan. In een fractie van een seconde besluiten we hem mee te nemen. We zijn per slot van rekening zelf een tijd geleden ook door iemand opgepikt langs de weg. Nu is het aan ons een goede daad te verrichten en iets terug te geven aan het universum.

Het blijkt een Argentijnse jongen, Juan. Hij wil naar Perth, maar reist graag mee zo ver zuidelijk als we gaan. Wij gaan naar Lancelin. Dat is nog zeker een paarhonderd kilometer richting het zuiden, dus stapt hij blij in. Hij blijkt al drie jaar aan het reizen te zijn en is voorlopig nog niet van plan naar huis te gaan. Sterker nog, misschien gaat hij wel nooit meer terug en settelt hij in een ander land. We wisselen reiservaringen uit en horen zijn verhalen van Broome aan, waar hij een tijd heeft gewerkt. Het is leuk de jongen in een korte tijd beter te leren kennen en te horen wat zijn beweegredenen zijn om te reizen en te liften. Hij laat het liefst alles op zijn beloop en plant niets. ‘Want dan maak je de mooiste ervaringen mee.’

Surrealistisch maanlandschap
Bij de Pinnacles maken we een tussenstop en laten we hem op zijn verzoek achter aan de kant van de weg. We beloven hem dat als hij er na ons bezoek nog staat, we hem verder meenemen. Wij gaan ondertussen naar de Pinnacles in het Nambung National Park. Dit is een prachtig natuurverschijnsel van honderden pilaren van kalksteen verspreid over een enorm stuk woestijn. Toen Hollandse ontdekkingsreizigers hier ooit aankwamen, dachten ze dat het een ruïne van een stad was. Maar het bleken fossiele plantenresten te zijn. Het mooie is: je kunt er met je auto tussendoor rijden. Het is net of we een surrealistisch maanlandschap doorkruisen.

Als we het park weer uitrijden, staat Juan nog steeds op dezelfde plek. Het leven van een lifter gaat niet over rozen: niemand wilde hem meenemen. Uiteraard kan hij weer met ons mee en zetten we hem weer een stuk verder af, bij Lancelin. Hier gaan wij het plaatsje in en hoopt hij dit keer meer geluk te hebben. We beloven hem op te zullen pikken, mocht dit niet het geval zijn. ‘Oh, dat is niet nodig. Dan knoop ik mijn hangmat wel aan twee bomen en slaap ik hier.’ Dat zouden wij dus nooit doen, maar voor hem leek het de normaalste zaak van de wereld.

Je zou denken dat deze prachtige dag niet beter kon worden, maar dat wordt hij nog wel. Eerst krijgen we een upgrade in het hostel van een kamer met een ventilator naar een kamer met airco, dan eten we heerlijke pasta pesto en vervolgens zien we de spectaculairste zonsondergang van onze hele reis. Liggend op mijn buik in de zandduinen van Lancelin kijk ik hoe de lucht achter de zee langzaam geel, oranje, roze en dan rood kleurt. Tot het laatste straaltje licht weg is en we in de schemering teruglopen naar ons hostel, met weer een hoop nieuwe herinneringen in ons hoofd.

Groetjes,
Carlijn

Een onaangename ontmoeting

Een onaangename ontmoeting

Blog 39
Woensdag 13 april
Thuis in Gendringen

Zo groot is hij niet. Toch schrikken we. De slang komt met zijn kop omhoog als hij ons ziet en glibbert dan vlug onder de deur van de kamer naast ons. Het is onze tweede ontmoeting met een slang in Australië – de eerste hadden we bijna overreden. Maar deze keer komt hij wel heel dichtbij. We hadden de waarschuwingsbordjes in het hostel wel gezien, maar niet verwacht er zo snel een aan te treffen. En al helemaal niet twee meter van onze kamer!

Luuk haalt het meisje van de receptie erbij. Terwijl ik op de deur van de kamer klop en vraag of er iemand binnen is. Dat blijkt gelukkig niet zo te zijn. Tot mijn verbazing komt het meisje met stoffer en blik aanlopen. Ze is zelf ook niet blij dat het haar taak is ze weg te halen. Maar het verbaast haar niets dat ze hier zitten. ‘Er zit een nest ofzo in deze hoek van het hostel. Pas dus maar goed op.’ Lekker dan. Ze gaat de kamer binnen en komt er na een minuut angstig weer uit. Ze kan ze niet vinden. Yeah right. Ze verdwijnt weer, ons verwonderd achterlatend.

Ze had Luuk verteld dat dit de Western Brown Snake is, de twee na dodelijkste slang van Australië. Als je wordt gebeten, moet je direct met een helikopter naar het ziekenhuis. De laatste persoon die aan een beet overleed, was een politieman. Al na veertig minuten was hij dood. De slang die wij zagen, was nog maar een jonkie. ‘Die zijn nog gevaarlijker, want ze hebben hun gif niet onder controle. Ze pompen dus meteen alles in je.’ Geweldig!

Een heel nest

Even later komt er een jongen naar de kamer toe. Tot die tijd hield ik steeds angstvallig de spleet onder de deur in de gaten. Ook hij gaat met stoffer en blik naar binnen. Ik hoor hem het meubilair verschuiven. Dan roept hij het meisje er weer bij. ‘Er zit hier een heel nest! Wel drie of vier.’ Uiteindelijk komt de manager erbij die ze opruimt (geen idee of ze ze naar buiten heeft gedaan of heeft gedood). Het slechte nieuws: er is er één ontsnapt. Ze haalt haar schouders op. ‘Slangen zijn nou eenmaal normaal hier. We zullen onze leefomgeving met ze moeten delen.’ Dat worden twee zware nachten dus. Uit voorzorg proppen we papier onder onze deur en hopen we op het beste. Gelukkig kan ik nu zeggen dat er niets is gebeurd!

We zijn trouwens in Coral Bay, ook een mooi snorkelplaatsje, net als Exmouth. We gebruiken onze tijd hier vooral om te genieten van het mooie strand. Helaas ben ik bij de vorige keer snorkelen verbrand als een kreeft – ondanks de factor vijftig en het T-shirt. Dus durven we een tweede zwemavontuur niet aan. Vissen zien we nog wel. Als je hier tot je knieën in de zee gaat staan, komen ze van zelf om je voeten zwemmen.

Metershoge termietenhopen
De dagen vliegen voorbij en voor we het weten zitten we alweer in de auto richting Denham. Opgelucht dat we het slangenavontuur hebben overleefd. Als we het plaatsje Coral Bay uitrijden zien we nog een emoe doodleuk door het centrum lopen. Erg bijzonder. Onderweg zien we ook weer de vele termietenhopen in de velden. De bouwwerken van deze mierensoort kunnen wel vijf meter hoog worden! We zien ze overal door West-Australië. Gezien ze bestaan uit zand, verandert de kleur steeds van lichtgeel, naar oranje naar dieprood – afhankelijk van de kleur de grond. Op deze route zijn er wel heel veel bij elkaar. We zien honderden oranje hopen, zo ver we kunnen kijken.

We zijn niet alleen in Denham voor de rust, de prachtige zee en het verlaten strand (althans, in deze periode van het jaar). We verblijven hier ook omdat het zo dicht bij Monkey Mia ligt. Dat plaatsje staat bekend om de dolfijnen, die er al jarenlang naar de kust komen voor een snack van de mens. Ook wij zijn er vroeg bij om het tafereel te aanschouwen. Het publiek moet een rij vormen langs de waterkant en krijgt eerst een informatiepraatje. De vis die ze de dolfijnen voeren is minder dan tien procent van hun dagelijkse dieet. Zo worden de dieren niet afhankelijk van de mens.

Dan is het moment daar en komen drie vrijwilligers met hun emmertjes vis het water inlopen. Zij zullen vier uitverkorenen uit het publiek aanwijzen die de dolfijnen een vis mogen geven. Zwaaien en wijzen heeft geen zin, je moet geluk hebben. En natuurlijk wordt Luuk uitgekozen van de stuk of vijftig mensen die er staan. ‘That guy with the curly hair.’ De dolfijn kan niet wachten en heeft zijn bek al open. Gauw geeft Luuk hem de vis, terwijl ik het geheel vastleg op de camera. Hij vond het leuker dan hij vooraf had gedacht. Na het voedermoment zwemmen de dolfijnen nog een paar rondjes, om vervolgens uit de baai te verdwijnen.

Op de terugweg gaan we nog langs de plaatselijke supermarkt – met loeihoge prijzen – en doen we een kaartje naar Nederland op de post. En hoe kunnen we de dag beter afsluiten dan met een prachtige zonsondergang op het strand? Over een paar weken zitten we alweer in Nederland. Nog even genieten dus!

Stromatolieten
Van de zon, zee en het strand, reizen we weer door naar het ruige Australië: het Kalbarri national park. Maar eerst hebben we nog een aantal stops onderweg, waaronder Hamelin Pool. Hier kun je stromatolieten zien: een soort rotshoopjes verspreid door de zee. Het zijn de oudste levende organismen op aarde, maar ze zien er gewoon uit als stenen ophopinkjes. Ik las ergens dat deze levende ‘wezens’ nog maar op twee plekken op aarde voorkomen, waaronder deze.

Hierna stoppen we bij het Eagle Bluff uitkijkpunt. Je kunt hier inderdaad zo ver kijken als een overvliegende adelaar. Vaak kun je vanaf dit punt op een klif honderden meters boven de zee, haaien, roggen en vissen zien zwemmen in de zee. Zo helder is het water. Wij zien ook een donkere vlek bewegen, maar het wateroppervlak is te ruw om te ontdekken wat het is. Ook fijn aan deze plek: de harde wind. Zo kunnen de vliegen niet op je landen.

De laatste tussenstop is Shell Beach, een iconische plek van de westkust. Hier vinden we geen zandstrand, maar een enorme witte schelpenzee. Behalve hier is er slechts één andere plek op aarde waar het strand alleen uit schelpen bestaat. Het zeewater is hier twee keer zo zout als normaal, waardoor er veel kokkels leven. Daar komen alle schelpen vandaan! Uiteraard vraagt dit om vele foto’s, waaronder met de zelfontspanner. Er is niemand anders hier om ons samen te fotograferen. Wat we toen nog niet wisten: dat een van deze foto’s door mijn ouders op linnen zou worden afgedrukt en op mijn slaapkamer zou hangen bij onze thuiskomst. Nu denken we steeds terug aan het mooie moment dat we samen op de warme schelpen zaten en uitkeken over de zee.

Groetjes,
Carlijn

Snorkelen tegen de stress

Snorkelen tegen de stress

Blog 38
Maandag 4 april
Thuis in Gendringen

We mogen dan wel weer anderhalve week thuis zijn – daarover in een andere blog meer – het verhaal is nog niet af. Als ik er nu aan terugdenk, lijkt het alweer een eeuwigheid geleden: ons bezoek aan het Karijini National Park. We zijn tot in de puntjes voorbereid. Eerst smeren we ons in met zonnebrandcrème, factor vijftig. Als dat ingetrokken is, gaat er DEET overheen, jungle formula. In onze tas zitten een EHBO-tasje, drie liter water (eigenlijk nog te weinig), mueslirepen en natuurlijk onze camera en GoPro. Voordat we de auto uitgaan rest ons nog één ding te doen: petjes op en een vliegennet eroverheen. Goed aansnoeren bij de keel en we kunnen naar buiten.

Daar valt het hittemonster ons meteen aan. 43 graden zei de thermometer in de auto. Eigenlijk veel te heet om een wandeling te gaan maken. Maar wil je in dit land wat zien, zul je wel moeten. Binnen de kortste keren zitten onze vliegennetten vol met de irritante insecten. Ze zijn op zoek naar vochtige openingen om lekker in te kruipen. Hadden we ons vliegennet niet opgehad, dan zouden ze in onze oren, neus, mond en ogen proberen te komen. Daar word je echt ramgek van, geloof me. Nu ook, maar alleen van het gezoem en het idee. Want als ik zie dat er op Luuks rug al meer dan dertig vliegen zitten, krijg ik de kriebels bij het idee dat dat bij mij dus waarschijnlijk ook zo is. Verschillende mensen die we onderweg tegenkomen, vertellen ons hoe jaloers ze zijn omdat ze zelf geen net hebben. Een goede aankoop dus!

Dieprood steen
Het hoogtepunt van ons bezoek aan dit park is Dales Gorge. Dit is een van de immense bergpassen van Karijini, waar miljoenen jaren geleden water doorheen stroomde. De steile wanden bestaan uit verschillende lagen dieprood steen, door erosie uitgesleten. Vanuit het uitkijkpunt kunnen we in de verte het blauwgroene water van het meer op de bodem zien. Mensen nemen er net een verfrissende duik. We besluiten het water van dichterbij te bekijken en beginnen aan de afdaling.

Door de bergpas heenlopen is even spectaculair als erover uitkijken. We wandelen over de treden naar beneden. Overal liggen losse stukken, dus het is uitkijken geblazen. Maar niet alleen hierop moeten we letten. Er zijn in dit gebied verschillende soorten slangen, waarvan een deel giftig. Onder andere pythons worden hier vaak chillend op een boomtak gezien, een beeld dat iedereen wel kent van Jungle Book. Deze zijn niet per se gevaarlijk, maar we zijn toch blij dat we er niet opeens een boven ons zagen bungelen. Ook spotten we hier weer vleerhonden, net zoals toen aan de Oostkust.

Na de wandeling zijn we bekaf en hebben we liters vocht verloren. M’n hoofd is knalrood en suist van de hitte. Lang leve de airco in onze auto. Maar voordat we instappen volgt er eerst het volgende ritueel: ik klop alle vliegen van Luuk af en – terwijl hij om zich heen blijft slaan – stapt hij gauw in. Daarna sla ik ze van mezelf af en stap ik vlug in. Vervolgens zijn er natuurlijk altijd wat binnengekomen. Die krijgen een vriendelijke pats op de kop. Sorry vliegen, maar we hebben genoeg van jullie gezoem en gekriebel.

Wildernis
Na ons bezoek aan het prachtige park rijden we naar Tom Price, de dichtstbijzijnde plaats. Onderweg stoppen we bij een van de vele mijnen die in dit gebied zijn. Tot voor kort leunde heel West-Australië op de mijnindustrie. Maar de vraag naar grondstoffen vanuit Aziatische landen neemt steeds meer af, dus richt de staat zich nu meer en meer op het toerisme. Desondanks zitten we hier wel echt in de wildernis. Niet alleen komen we kilometers niets tegen en zitten we te midden van de vele wilde dieren, ook hebben de plaatsjes amper faciliteiten. Vaak is er een klein winkelcentrum, waar vooral dronken Aboriginals rondhangen.

Onderweg naar Karijini sliepen we al tweemaal op paupere campings, in Mount Magnet en Newman. Vaak met gedeelde faciliteiten die onder de beesten zaten (vijftien centimeter grote lopende takken, overal sprinkhanen en andere insecten én muizen in de keuken!). Maar daar betaal je wel de jackpot voor! Zo’n zestig à zeventig euro. Ook het stapelbedje in het hokje in Tom Price is niet veel soeps. Gelukkig maakt de prachtige natuur hier alles goed.

Ik zal jullie de details besparen van ons volgende kakkerlakkenfiasco, in Exmouth. Waar we heenreden na onze overnachting in de buurt van Karijini. Het komt erop neer dat Luuk kakkerlakkeneitjes vond in de keukenkastjes, vervolgens met de bus gif in de weer ging, waarna ze er allemaal onderuit kwamen rennen. Conclusie: we hebben de boeking geannuleerd. Helaas zullen ze dat wel vaker meemaken, want er was een no refund policy. Dus verloren we honderd euro én moesten we naar een duurder Best Western-hotel, waar vervolgens óók een kakkerlak onder het bed lag. Ik dacht toen wel even: waar heb ik dit aan verdiend?! Gelukkig bleek het daar een incident en was ons verblijf er verder helemaal prima.

Mooier dan Great Barrier Reef
We zijn in Exmouth in verband met het Cape Range National Park. Dit staat vooral bekend om zijn prachtige koraalriffen. Volgens sommigen zelfs mooier en onaangetaster dan het Great Barrier Reef. Wel staat West-Australië bekend om zijn aanvallen van witte haaien, maar dat hebben we voor het gemak maar even vergeten. Het voordeel van het snorkelen hier: het kan gewoon vanaf de kust. We beginnen bij Oyster Stacks. Even over scherpe rotsen klimmen, maar daar krijg je wat voor terug: een wondere onderwaterwereld met onder andere rotsen vol oesters – vandaar de naam.

We drijven hier een tijdje rond en kijken onze ogen uit. Het water is super helder, waardoor we ver kunnen zien. Het koraal is heel dichtbij, we drijven er net boven. Daarom mag je hier alleen met vloed zwemmen. Het is niet per se heel felgekleurd – hoewel we af en toe een felblauw of -paars exemplaar zien – maar heeft wel prachtige vormen. Hierdoor stelen de vissen echt de show. Deze zijn namelijk wel alle kleuren van de regenboog en hebben bijzondere patronen. We zouden hier ook rifhaaien en tijgerhaaien (van twee meter!) kunnen tegenkomen. Beide onschuldig, maar dat lijkt me toch best eng. We zien ze niet. Ook geen zeeschildpadden. Dat is dan wel weer jammer.

De tweede snorkelplek: Turquoise Bay, is ook een bijzondere. Uiteraard door het witte zand en turquoise water, maar vooral door de stroming. Je loopt hier eerst een paarhonderd meter langs de branding, dan ga je de zee in en laat je je met de stroming meevoeren. Vervolgens ga je de zee weer uit op de plek waar je het strand kwam oplopen. We moeten wel opletten op tijd het water uit te gaan. Als we te lang blijven drijven kan de stroming ons zo de open zee opstuwen. Niet zo’n prettig idee. Maar het snorkelen is er extra bijzonder door. Zonder enige moeite drijven we boven een prachtige wereld, die zo anders is dan de wereld waarin wij leven. De daarbij komende stilte – met uitzondering van wat gebubbel – maakt me helemaal rustig. Als we toch elke dag een kwartiertje zouden kunnen snorkelen, zouden we met z’n allen een hoop minder stress hebben.

Veel liefs,
Luuk & Carlijn

Verstand op nul en rijden maar

Verstand op nul en rijden maar

Blog 37
Dinsdag 22 maart
Vliegtuig naar Dubai

Het is een vreemd gezicht: een Nederlandse molen met een Australische achtergrond. Toch staat er echt een Hollandse molen voor onze neus. De Dutch windmill heet ‘The Lily’. We zagen een bordje langs de weg en sloegen nieuwsgierig de zandweg in. Het ziet er prachtig uit: de molen op de voorgrond en daarachter het uitgestrekte droge landschap van hier. In de verte zien we goudgele graanvelden, waar dit gebied in het zuiden van West-Australië om bekend staat. Bergen tekenen zich af aan de horizon en felgekleurde lorikeets vliegen kwetterend langs. Een beetje trots zijn we wel hier een onderdeel van het Nederlandse erfgoed tegen te komen.

Vandaag reizen we verder richting het zuiden, naar Esperance. Een tocht van vijf uur. Wij zitten lekker koel door de airco van de auto, maar buiten loopt het kwik snel op. Het duurt niet lang voordat de veertig graden worden gepasseerd. We zien de hitte omhoog golven van het hete asfalt. De weg strekt zich voor ons uit en lijkt oneindig. We zien alleen af en toe road trains. Dat zijn hele lange vrachtwagens met drie tot wel vijf wagons. De langste zijn meer dan vijftig meter. Het lijken inderdaad op treinen die voortbulderen, maar dan op de weg. Het inhalen ervan duurt heel langs en is niet zonder risico’s.

Lege vlaktes
Wat me nu al opvalt na een paar dagen rijden is de kleur van het zand in de berm. Dat verandert steeds per omgeving, van lichtgeel, naar dieporanje, naar de mooie donkerrode grond waar West-Australië om bekendstaat. Het uitzicht blijft ons intrigeren. Vooral als Nederlanders uit een klein drukbevolkt en volgebouwd land is het bijzonder te reizen door deze immense lege vlaktes.

Nadat we zijn gearriveerd in Esperance en onze hotelkamer kakkerlakproof hebben gemaakt (lees: Luuk gaat met de spuitbus rond en daarna verlaten we de kamer voor een tijdje), rijden we de Great Ocean Drive. Het is een mooie route langs de Pink Lake – op dit moment niet roze, maar af en toe wel door de combinatie van mineralen en zonlicht. Kijk maar eens op Google. Het is een prachtig gezicht.

Ook stoppen we bij een enorm windmolenpark. We hadden beiden nog nooit onder een windmolen gestaan, maar dan besef je pas wat een kolossale dingen dat eigenlijk zijn! We eindigen het rondje bij een van de mooie stranden waar Esperance om bekend staat, waar we genieten van de laatste zonnestralen van de dag.

Piepend zand
Vlakbij Esperance ligt het Cape Le Grand national park. Hier schijnt het witste strand van Australië te zijn. Nou, dat willen we weleens zien! En ja hoor. Het witte zand van Hellfire en Lucky Bay lijkt net talkpoeder en is zo fijn dat het piept onder onze voeten. Tel daarbij de prachtblauwe zee op en je hebt het recept voor een tropisch bountystrand. Verderop zee hebben donkere onweerswolken zich samengepakt. Dit maakt het plaatje helemaal bijzonder. We kijken nog eens goed rond, want dit willen we nooit meer vergeten. Dan vertrekken we richting het noorden. De thermometer tikt wederom de 43 graden al aan en het is nog niet eens middag. Geen wonder dat we langs zo veel uitgebrande bossen rijden. De zwartgeblakerde bomen zijn het resultaat van de verwoestende bosbranden die hier vaak woekeren.

We gaan onderweg naar een bijzonder verschijnsel: een enorme steen in de vorm van een golf. Deze Wave Rock is in Hyden, een dorpje waar verder niet veel te doen is. We komen veel van dit soort plaatsen tegen onderweg. Vaak is er een supermarktje (of soms niet eens), een tankstation en wel drie of vier bottle shops. Het is duidelijk waar hier de prioriteiten liggen. De Wave Rock is inderdaad spectaculair en zeer geschikt voor een paar foto’s waarop ik doe alsof ik surf. Dat gaat toch makkelijker op het droge dan in de zee!

Roo grill
En aan het einde van de dag, als de bomen hun lange schaduwen op de weg werpen, komen de kangoeroes weer tevoorschijn. Gelukkig zijn we bijna in Corrigin, het minidorpje waar ons hotel staat. Want kangoeroes staan erom bekend midden op de weg te springen en daar vervolgens te blijven staan. En je wilt echt geen aanrijding met zo’n enorm beest. We hebben al de meest vreselijke verhalen gehoord, waarbij de voorruit totaal verbrijzeld was en de helft van de kangoeroe in de auto terecht was gekomen. Niet voor niets hebben de meeste auto’s en trucks hier een roo grill: een enorme stalen grill voorop de auto, om dit soort taferelen te voorkomen.

In Corrigin blijkt echter geen stroom te zijn, dus ons hotel is pikdonker. Het ziet er ook niet naar uit dat dit nog gerepareerd zal worden vanavond, dus we besluiten toch verder te rijden naar een ander hotel. Dat betekent wel dat we ons voornemen niet door het donker rijden moeten verbreken. Dus met samengeknepen billen rijden we de komende drie kwartier door het donker. Turend naar de berm of er niet iets de weg op springt. De eindstand: een overstekende vos en een kangoeroe. Gelukkig zagen we ze beide op tijd. Het volgende motel heeft gelukkig wel stroom. We zijn blij met onze beslissing én dat we heel zijn aangekomen.

650 km rechtdoor
De komende twee dagen staan er geen noemenswaardige stops op het programma, maar moeten we vooral veel kilometers maken om in het noorden te komen. Soms zegt onze TomTom gekke dingen als: ‘Ga 650 kilometer rechtdoor.’ Dat betekent: verstand op nul en rijden maar. Lang leve cruise control. De kunst is vooral wakker te blijven.

Onderweg zien we naast heel veel niets en soms een overstekende hagedis, ook af en toe dingen die ons opvallen. Zoals veel autowrakken in de berm. Blijkbaar worden die vaak achtergelaten na een ongeluk. Misschien omdat de sleepkosten van het wrak te duur zijn. Ook zien we veel bordjes met ‘flood way’. Overstromingen? Hier in dit droge land? We vinden het maar ongeloofwaardig. Tot we op meerdere plekken komen waar de weg helemaal blank staat! Bij de meeste plekken staat een meetlat om de diepte aan te geven en die gaat wel tot twee meter. Gelukkig staat het water nergens te hoog en crossen we overal doorheen met ons autootje. Langzaam komen we noordelijker. Daar wacht het mooie Karijini National Park op ons!

Groeten,
L & C

P.s. We zijn nu precies een week en één dag terug in Nederland. Heel gek, maar ook leuk om weer terug te zijn. Uiteraard maak ik het verhaal hier nog af, dus er zullen nog een aantal blogs volgen!

Trillen van adrenaline

Trillen van adrenaline

Blog 36
Zondag 20 maart
Hotel Kuala Lumpur

De Indische Oceaan is felblauw. Het zand is wit en warm onder onze blote voeten. Maar de enorme afgeronde rotsen in de zee zijn de echte blikvangers. De grijze gevaartes lijken inderdaad net olifanten. Het is alsof ze knus in een groepje aan het pootjebaden zijn. Niet zo gek dat deze plek Elephant rocks heet. We kijken onze ogen uit. Ook fijn: we hoeven het mooie uitzicht maar met een handjevol mensen te delen. Het hoogseizoen is voorbij.

We begonnen deze dag echter in een heel ander landschap: de bossen met de kolossale eucalyptusbomen. En ook onze volgende stop is weer compleet anders. Wie bij Australië een eenzijdig beeld heeft, zou eens een roadtrip langs de westkust moeten doen. De diversiteit hier is enorm. Je moet dan wel bereid zijn wat kilometers te rijden, want ook de afstanden zijn enorm. Wij vinden dat niet zo’n probleem. Het is de helft van de tijd net alsof je door een natuurpark rijdt. Bovendien is dit een perfecte gelegenheid voor een lange muzieklijst met (rock)klassiekers. Het eerste nummer van de lijst? Down Under van Men at Work natuurlijk.

De eerste kangoeroe
Na een paar uur komen we aan in het Porongurup National Park – alle parken hier hebben van die mooie Aboriginalnamen. ‘Kijk, daar! Ik zag een kangoeroe! Woooowwww!’ Het is duidelijk: Luuk heeft de eerste kangoeroe gespot. Het enorme dier dat ik in de berm door een man weggesleept zag worden, telt uiteraard niet. Al gauw zien we meer kopjes boven het hoge gras uitsteken. Ze kijken nieuwsgierig onze kant op. Dan hoppen ze gauw weg.

Onze dag kon al niet meer stuk, maar wordt nog mooier. We gaan in dit park de Granite Skywalk doen. Daarvoor moeten we eerst een stuk wandelen door de bush. Maar vlak voordat we hier aankwamen, hebben we bijna een twee meter lange slang overreden. Ons geschrokken achterlatend. Niet alleen omdat we bijna een dier hadden geraakt, maar ook dat hier blijkbaar slangen zitten. Goede timing dus, vlak voor deze wandeling. Een beet van de verkeerde slang kan je hier je leven kosten. Gelukkig heb ik drie jaar geleden aan de Oostkust een techniek geleerd om ze weg te jagen: stampen! Door de trillingen weet de slang dat je eraan komt en gaat hij weg. Pas wel op dat je niet óp een slang stampt, dan ben je wel de pineut. Dus we trekken vrolijk stampend het bos in.

Verticale ladder
Aan het eind van de wandeling zien we enorme ronde stenen. Eén balanceert op zo’n klein stukje, dat het bijna onmogelijk is dat hij niet omvalt: de Balancing Rock. Nu kunnen we kiezen: of omkeren, of de Granite Skywalk doen. Daarvoor moet je over de grote stenen klauteren en je aan ijzeren handvaten kunnen optrekken. Dan wacht er een zeven meter verticale ladder, waarna je op een hoog plateau uitkomt. Eerst durf ik niet, maar dan denk ik: fok it, gewoon doen. Na wat geklauter en geklim – waar achteraf wel tien slangen hadden kunnen zitten – en het engste: de steile ladder, kom ik op het plateau. Ik tril van de adrenaline. Naar beneden kijken durf ik niet, want door de ijzeren constructie kun je meters diep de afgrond zien. Maar het uitzicht is zó de moeite waard! Kilometers kun je hier om je heen kijken. Wat een kick!

Na de enge afdaling volgt de tocht door het bos terug. Waarbij ik uiteraard op een boomstronk stap, denk dat het een slang is, een gilletje slaak en een sprintje trek. Vals alarm, hèhè. Ik ben stiekem wel blij dat ik even later weer veilig in de auto zit. Daar zien we weer kangoeroes, zo leuk!

We kunnen niet lang blijven kijken, want voor de avond invalt moeten we bij onze camping zijn. Bij het avondgloren worden veel dieren wakker en we willen liever geen kangoeroe op de grill van onze auto zien. Gelukkig gebeurt dat niet en zijn we op tijd bij de Stirling Range Campsite. De zon kleurt de lucht al oranje als we onze cabine – een klein huisje met keuken en bed – betreden. We zitten echt in de middle of nowhere. Om ons heen is alleen maar natuur. In de verste verte is geen stad, tankstation of supermarkt. Met de geluiden van schreeuwende kaketoes eten we een lekkere curry en genieten we na van al het moois dat we vandaag hebben gezien.

Alleen op de wereld
Vandaag gaan we het Stirling Range National Park verkennen. Er gaat een scenic drive dwars door het park heen. Dat betekent wel hobbel de bobbel over kiezel- en zandwegen, maar dat maakt de ervaring des te leuker. De omgeving is prachtig. De wegen bestaan uit oranje steentjes en zand. In de verte zien we hoge bruine bergen. Dichterbij wisselen lege vlaktes, groene bosjes en uitgedroogde bomen elkaar af.

Dan zie ik in de verte iets lopen. Het is een emoe-familie – een soort struisvogel, maar kleiner. Er loopt een moeder met drie kleintjes. Even later zien we er nog een paar. Ook treffen we een wallaby die net de weg wil oversteken als wij langsrijden. Hij blijft verschrikt staan. Dan springt hij vlug weg. Oh ja, er komt ook nog een grote hagedis van wel een meter lang ons gedag zeggen. Het is weer een beestenboel, dus ik ben uiteraard zo blij als een kind. Trouwens, in het hele park zien we geen een auto. We wanen ons even alleen op de wereld.

Na deze hete dag nemen we een lekkere douche. Wel zo kort mogelijk, want dit park is niet op de watervoorziening aangesloten. Ze vangen hier het regenwater op. Maar gezien het hier kurkdroog is, is dat dus schaars. Kort afspoelen dus. Maar ik wil sowieso niet al te lang in openbare douches verblijven. In verband met dieren waar ik niét zo dol op ben. Vandaar ook dat de bezoekjes aan het toilet voordat het slapengaan, niet mijn favoriet zijn. Door het pikkedonker over de camping lopen met een zaklamp, doodeng. Joost mag weten wat er allemaal rondloopt. Maar nood breekt wet en ik kan nu zeggen: ik heb het overleefd!

Warme groet,
Lucky Luke & Caroline

P.s. We stappen elk moment op het vliegtuig naar… Amsterdam! Dus tot snel!